In geval van twijfel, voorwaarts

Ton Munnich

Dit stukje is van alweer een paar jaar geleden. Ik schreef het na mijn eerste kennismaking met de Zomer Avond Kompetitie, in 2001. Het is een heel eenvoudige impressie van zo’n avond (niet bedoeld voor topschakers).

Een warme dag in juli. Ik sla het Stadsblad open en lees: “Zomeravondschaak weer van start gegaan”. In juli en augustus houdt denksportcentrum ‘De Remise’ elke dinsdag open schaakavond. Voor een euro inschrijfgeld kan iedereen een partijtje komen spelen. Leuk voor mensen die geen lid zijn van een club. Je wordt gekoppeld aan iemand van ongeveer dezelfde sterkte, en spelen maar. Ieder krijgt een uur en drie kwartier voor veertig zetten, en daarna nog een kwartier om het uit te maken. Ik ga erheen. Er zijn ongeveer 50 belangstellenden, waaronder sterke clubschakers. Ook Hans Bouwmeester is er, voormalig trainer van de nationale schaakbond en schrijver van vele schaakboeken. Ikzelf word gekoppeld aan een oudere heer. Zijn naam ben ik vergeten, hij heeft een grijs puntbaardje. Puntbaard is een ervaren en redelijke speler. In de opening krijg ik een beetje initiatief maar het kost me een pion. En vanwege mijn beperkte openingskennis gebruik ik veel bedenktijd voor de eerste zetten:

Wit: Ton Munnich
Zwart: Puntbaard

1.e4 c5 2. Pf3 Pc6 3.c3 Pf6 4.e5 Pd5 5.c4 Pc7 6.d4 cd4 7.Pxd4 Pxe5 Daar verdwijnt de pion.

Intussen merk ik dat de twee spelers naast ons telkens hun zet luidop zeggen wanneer ze een stuk verschuiven. Wanneer ik opzij kijk, zie ik dat de dame naast mij een beetje vreemde ogen heeft. Dan begrijp ik het: zij is blind. Op haar schoot ligt een klein aangepast schaakbordje, met verzonken witte velden en verhoogde zwarte velden. De stukken kan ze in gaatjes vastzetten. Voortdurend voelen haar handen eraan. Dan zegt ze ‘a2 naar b3, Archibald twee naar Beate drie’. Haar tegenstander voert de zet uit op het gewone bord en drukt de klok in. Wanneer hij zelf een zet doet zegt hij ‘f6 naar e5’. Waarop zij herhaalt: ‘Francine zes naar Eva vijf’. Telkens gebruikt ze andere namen, ik kan het niet laten om op te letten welke exotische namen ze noemt.

8.f4 Pg6 9.Pc3 e6 10.g3 b6 11.Lg2 Tb8 12.Pdb5 Pxb5 13.Pxb5 Lc5 14.Pd6+ Ke7

Hier onderbreekt de wedstrijdleider even de stilte om te melden dat de eerste verliezer er is. Daar was immers een prijsje voor gereserveerd. Het blijkt een van de sterkste spelers te zijn die al na enkele zetten zijn partij heeft opgegeven. De wedstrijdleider roept hem naar zijn tafel, overhandigt hem als prijs een schaakboek, en zegt. ‘Het is een mooi boek, het begint bij het begin, met hoofdstukken over “de loop der stukken”, daar kun je je voordeel mee doen.’ Onder algemeen gelach gaat de speler weer zitten.
Er is trouwens nog een prijsje. Wie alle dinsdagen heeft meegedaan en daarbij de meeste punten heeft vergaard, die mag vanavond spelen met het gele petje op, zoals de gele trui in de Tour de France.
De wedstrijdleider heeft de speler met de beste score naar voren geroepen en hem een absurd geel petje op het hoofd gezet. Ook hij mag onder daverend gelach terug naar zijn plaats aan het bord.
Dan gaan de partijen verder. Puntbaard en ik vervolgen onze partij als volgt:

15.Pxc8 Dxc8 16.b3 Td8 17.Lb2 Kf8 18.Dh5 Kg8 19.0-0-0 Da6 20.Kb1 La3 21.Lc3 Tbc8 22.Td3 Tc5 23.Dd1 Dc8 24.h4 f6 25.h5 Pe7

Voor de volgende 15 zetten heb ik nog maar 20 minuten; Puntbaard heeft nog een uur. Bovendien staat hij een pion vóór en beschikt hij over de dreiging b6-b5. Daarom is het van belang dat ik het initiatief vasthoud. Menno van der M., met wie ik de volgende dag de partij bespreek, vindt dat ook. Hij heeft voor zulke gevallen een algemene regel paraat: ‘In geval van twijfel, voorwaarts’. Een mooie regel, ik hoor hem voor het eerst. Mijn laatste zetten, h4 en h5, deden dat ook, maar nu volgt er een mindere zet van mij. Ik had het voorwaarts-plan moeten vervolgen met 26.h6; in plaats daarvan deed ik:

26.Td6 Pf5 Sterker lijkt 26...Td5
27.h6 Pxh6 28.Lxf6 Pf5 29.Lxd8 Pxd6 30.Le7 Tc6 31.Dh5 h6 32.Dg6 De8 33.Dxe8+ Pxe8 34.Lxc6 Lxe7 35.Lxd7 Pc7 36.Te1 Lc5 37.Le6 Kh7

De complicaties zijn opgelost. In de vereenvoudigde stelling die overblijft sta ik een pion en een kwaliteit vóór. Dat wil zeggen, ik sta gewonnen. Alleen het tijdprobleem is er nog. Kan ik de gewonnen stelling binnen een kwartier uitspelen tot mat? Puntbaard heeft nog drie kwartier. Ik besluit remise aan te bieden. Dat gaat als volgt: ik doe een zet, bied remise aan, en druk dan mijn klok in. Puntbaard heeft er geen bedenktijd voor nodig, hij gaat meteen akkoord. We zijn allebei tevreden. Voor alle duidelijkheid: de twee halfjes op het eind zijn het remise-teken:

38.Te4 ½ - ½

De volgende dag bespreek ik de partij met Menno. Hij vindt dat ik goed heb gespeeld. Ter verkoeling van de warme zomerdag proeven we enkele glaasjes Guinness en whisky. De alcohol heeft op Menno een speciaal effect: na enkele glaasjes gaat hij de sterrenhemel verklaren. Hij heeft immers een jaar astronomie gestudeerd.
Ik verwijs nu naar zijn zojuist genoemde stelregel ‘in geval van twijfel, voorwaarts’, en ik fiets naar huis.